Bronfiche: CO2-monitor

1.     Belang van de indicatoren

 

Als onderbouwing voor het Gentse klimaatbeleid word de CO2-uitstoot op Gents grondgebied in kaart gebracht. De monitoring vormt een uitgangspunt in het Gents Klimaatplan 2014-2019. Ook in het kader van de Burgemeestersconvenant, het engagement dat Gent aanging om tegen 2020 20% en in 2030 40% CO2-uitstoot te reduceren, vormt de CO2-monitoring een belangrijke verplichting.

2.     Opbouw van de indicator

a.         Berekeningsmethode

 

De CO2-uitstoot voor elke Vlaamse gemeente wordt jaarlijks berekend en gepubliceerd door VITO op de website https://www.burgemeestersconvenant.be/co2-inventarissen. De berekeningsmethode is daar ook te vinden. Bij wijzigingen in de berekeningsmethode worden de datareeksen van de voorgaande jaren opnieuw samengesteld.

Naast de Vlaamse data van VITO vult de Stad Gent de cijfers aan met lokale data:

1.      De elektriciteit en gasverbruik van de stadsgebouwen en het elektriciteitsverbruik van openbare verlichting.

2.      De benzine, diesel en CNG verbruiken van de stedelijke vloot.

3.      De brandstofverbruiken, de hoeveelheid verbrand afval, de elektriciteit -en stoomlevering van de afvalenergiecentrale van IVAGO.

4.      Het brandstofverbruik en de hoeveelheid geleverde warmte van het warmtenet van EDF-Luminus.

b.         Tijdsreeks

 

Als onderbouwing voor het Gentse klimaatbeleid werd de CO2-uitstoot op Gents grondgebied voor de jaren 2007 en 2009 in kaart gebracht. Dit gebeurde door het studiebureau Arcadis ism VITO, in opdracht van de Stad Gent. Sinds 2011 kreeg VITO van de Vlaamse overheid de opdracht om een CO2-monitor op te stellen voor elke Vlaamse gemeente. Aan de hand van de VITO methodiek werden de data voor 2007 en 2009 herrekend.

c.         Emissiefactor elektriciteit

 

De Convenant of Mayors geeft per startjaar en per land aan welke factor dat dan moet zijn. Aangezien Gent startte in 2007 is dat 0.274 g CO2 per kWh zijn. (Andere Vlaamse gemeenten die in 2011 startten gebruiken 0.221).

3.     Beperkingen en interpretatie van de indicatoren

De indicatoren zijn opgemaakt op basis van de standaarden van de Burgemeestersconvenant. De richtlijnen voor de opmaak houden zowel rekening met een opvolging op lange termijn als met een mogelijke impact van het stedelijk beleid.

1.      Een belangrijkste keuze die gemaakt wordt is om bedrijven die vallen onder het Europese Emission Trading System (ETS) niet op te nemen in de CO2-monitor. ETS is het systeem van verhandelbare emissierechten dat geldt voor de meest energie-intensieve bedrijven. De redenering daarachter is dat opbrengsten van ETS naar de lidstaten gaan (in ons geval naar Vlaanderen) en dat beperking van CO2-uitstoot van ETS-bedrijven geen taak is van lokale besturen. Dit is ook zo, Stad Gent heeft nauwelijks instrumenten voor ETS-bedrijven. Op het grondgebied van de stad Gent zijn er 20 ETS bedrijven (waarvan 7 elektriciteitsproducenten) actief. De uitstoot van die bedrijven wordt gepubliceerd op de website van de Vlaamse overheid, departement Omgeving.

2.      Aangezien de CO2-uitstoot voor een aanzienlijk aandeel afkomstig is van gebouwverwarming, is er een uitgesproken effect van strenge of zachte winters. Een graaddagencorrectie kan dan extra inzicht geven. De correctie wordt afgeleid van het 30-jarig gemiddelde. Deze correctiefactor werd vervolgens toegepast op de CO2-uitstoot afkomstig van alle energiebronnen uitgezonderd elektriciteit van de sectoren huishoudens en tertiair. De uitstoot van de sectoren industrie, landbouw en transport worden niet gecorrigeerd.

3.      De cijfers van hernieuwbare energie omvatten de opbrengsten van windenergie, energie uit zonnepanelen, energie uit afvalverbranding (fractie biomassa) en warmte-opbrengsten van zonneboilers en warmtepompen. Ook deze cijfers worden door VITO ter beschikking gesteld. Om deze cijfers tastbaar te maken worden ze afgezet ten opzichte van de totale energievraag van de huishoudens (elektriciteit en verwarming), waar in het Gents klimaatplan een ambitie van 15% werd vooropgesteld. Dit werd zelfvoorzieningsgraad genoemd.

4.     Actualisatie

Jaarlijks

5.     Contactpersoon indicator

Jeroen Mercy, Dienst Milieu en Klimaat

Jeroen.Mercy@stad.gent